Eerste boek over de ramp


Indrukwekkend en hartverscheurend

Het eerste boek over de Watersnoodramp van 1953, verscheen al enkele weken na de catastrofale dijkdoorbraken.

‘De ramp’ was een nationale uitgave, waaraan fotografen, schrijvers en uitgevers belangeloos meewerkten. Het boek, waarin de fotografie overheerst, werd uitgegeven door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels’ en verscheen in een voor die tijd bijzonder hoge oplage van 600.000 exemplaren.

De opbrengst kwam ten goede aan het Nationaal Rampenfonds en bedoeld voor de slachtoffers van de ramp. 

Het 97 pagina’s tellende boek heeft een handgeschreven inleiding van toenmalig koningin Juliana en is samengesteld uit foto’s en flarden van gesprekken, berichten en reportages. Zowel de fotografie als de tekst zijn indrukwekkend en vaak hartverscheurend.

‘Die nacht reed om vier uur de laatste trein het station van Dordrecht binnen. Geen trein zou meer komen of vertrekken. Spoorbanen werden weggeslagen en bovenleidingen ontzet. Dordrecht liep onder water.’

‘Daar op Tholen zag een man zijn vrouw en twaalf kinderen verdrinken’. 

‘Een tienjarig meisje wordt gered, maar onder het huispuin liggen haar vader, moeder en acht broertjes en zusjes.’

‘Ergens hangen een man, een vrouw en vier kinderen aan een dakrand. Een half uur, een uur. Dan laten zij los, de een na de ander, en verzinken in het grauwe, gulzige water.’

‘’s Morgens helpt een dokter nog bij een bevalling, ergens op een geïsoleerde zolder. Maar die middag zijn moeder en kind onder het puin van de ingestorte woning begraven.’

‘Honderdvijftigduizend koeien graasden in deze streken. Zeker vijfentwintigduizend verdronken onverlost in de winterstallen, kwamen dof wachtend op verloren velden om of moesten reddeloos op vergeefse vlucht worden afgemaakt.’ Hun cadavers spoelden op de golfslag tegen de dijken, wachtend op de destructor.’

‘In de rampzalige nacht kwamen die mannen van Colijnsplaat, op Noord-Beveland, naar hun bedreigde dijk. Maar de dijk scheen het geweld niet te kunnen houden. Zij vochten wat ze konden. Maar de dijk stond op breken.  Toen zijn die mannen arm in arm ruggelings tegen de dijk gaan staan, om met hun lichaamskracht de zee te tarten. En zij hebben de dijk gehouden.’

© copyright fotografie en teksten: Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels 1953